Documents

Links

De Blauwe Kiekendief Circus cyaneus is in Nederland als broedvogel bekend vanaf de tweede helft van de 19e eeuw (Schlegel 1852). Op de Waddeneilanden wordt pas sinds 1940 gebroed. De eerste vestiging vond plaats op Ameland en in 1946 werd Terschelling bezet (Brouwer & van Oordt 1940, Tanis 1963). Vanuit deze twee eilanden zijn vermoedelijk de andere Nederlandse (en Duitse) Waddeneilanden gekoloniseerd: Schiermonnikoog in 1954, Vlieland in 1970, Texel in 1978 en Rottum in 1991 (Bijlsma et al. 2001). Vanaf de jaren zeventig namen de aantallen in het Waddengebied sterk toe, om in de eerste helft van de jaren negentig een maximum te bereiken van ruim 100 broedparen. Daarna ging het echter snel weer bergafwaarts met de populatie, via ongeveer 70 paren rond de eeuwwisseling naar 46 in 2006. In 2012 resteerden nog maar 11 paren op de eilanden, en bleef Ameland alweer voor het vierde jaar op rij van broedende Blauwe Kiekendieven verstoken. De populatie op de Duitse Waddeneilanden vergaat het nauwelijks beter: de aantallen zijn sinds het maximum in 1997 bijna gehalveerd, van 55 naar ruim 30 broedparen in 2009 (Schroder et al. 2010). Als oorzaken van de afname zijn in de loop der jaren zowel afnemend broedsucces (van der Wal et al. 1999, Bijlsma et al. 2001, Bijlsma 2009) als lagere overleving (Lof 2000, Klaassen et al. 2006) genoemd, maar de achterliggende gegevensreeksen waren fragmentarisch of zijn inmiddels gedateerd. De Blauwe Kiekendief staat op de Nederlandse Rode Lijst (van Beusekom et al. 2005). De leefgebieden in de duinen van Texel, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog zijn beschermd krachtens de Natuurbeschermingswet, want ze zijn mede op grond van de aantallen broedende Blauwe Kiekendieven aangewezen als Natura 2000-gebied (Sovon & CBs 2005). Vogelbescherming Nederland heeft de Blauwe Kiekendief opgenomen in achtereenvolgens de soortbeschermingsplannen voor moerasvogels (t/m 2004) en duin- en kustvogels. Tegen deze achtergrond is in 2004 gestart met een uitgebreid onderzoek om de oorzaken van de achteruitgang op de Waddeneilanden te achterhalen en om beschermingsmaatregelen te kunnen formuleren (Klaassen et al. 2006, de Boer & Klaassen 2007). De belangrijkste pijlers van het onderzoek zijn voedselecologie (voedselkeuze, prooiaanbod, foerageerhabitat) en demografie (broedsucces, overleving, dispersie). In dit artikel worden de beschikbare demografische gegevens op een rij gezet en geanalyseerd met behulp van een populatiemodel, om zo inzicht te krijgen in welke demografische parameters het verloop van de aantallen hebben bepaald. Hierbij gebruiken we ook de beschikbare aantals-, reproductie- en ringgegevens uit de periode voor 2004. Daartoe zijn diverse historische gegevens opgespoord en in een database ingevoerd. Traditioneel bestaan diagnoses van de demografische mechanismen van populatieveranderingen uit afzonderlijke analyses van populatieomvang, reproductie en overleving. Met de geschatte waarden voor de demografische parameters wordt dan in een tweede stap een matrix-populatiemodel opgesteld. De door dit model voorspelde populatietrend wordt vervolgens vergeleken met de waargenomen trend. Op basis hiervan wordt beoordeeld of alle relevante demografische parameters in het model zijn opgenomen en welke het beste correleren met de waargenomen populatieveranderingen: wordt een populatieafname veroorzaakt door afnemend reproductiesucces, als gevolg van problemen in het broedgebied, of zit de crux juist in een toegenomen sterfte in het wintergebied? Recent is een nieuw type modellen beschikbaar gekomen, waarmee alle beschikbare gegevens tegelijkertijd worden geanalyseerd: de zogenaamde geintegreerde populatiemodellen (ipm's; Schaub & Abadi 2011). Hierbij worden nadrukkelijk ook de tellingen zelf meegenomen, omdat ook veranderingen in de populatieomvang informatie bevatten over de onderliggende demografische processen. Door ook die informatie te gebruiken kunnen de demografische parameters nauwkeuriger worden geschat. Hierdoor kunnen veranderingen en verbanden met omgevingsvariabelen zoals habitat of weersomstandigheden soms eerder worden opgespoord. Andere voordelen van ipm's ten opzichte van de traditionele aanpak zijn dat de onzekerheden rondom (metingen aan) populatieparameters op een nettere manier worden verdisconteerd in de resultaten en dat goed kan worden omgegaan met ontbrekende waarden in de dataset. Vaak kunnen zelfs populatieparameters waarvan in het veld niet gericht gegevens zijn verzameld toch worden geschat. Zo kunnen naast reproductie en overleving in principe ook emigratie en immigratie worden gekwantificeerd, processen die tot dusverre in de meeste studies buiten beschouwing bleven, onder de aanname dat de populatie 'gesloten' is en er geen uitwisseling met andere populaties plaatsvindt (Besbeas et al. 2002, Schaub & Amadi 2011). In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een eerste versie van een ipm voor de Blauwe Kiekendief op de Nederlandse Waddeneilanden. Het heeft betrekking op de periode 1970-2012. De resultaten hebben een enigszins voorlopig karakter, omdat het model in de nabije toekomst verder zal worden gespecificeerd en uitgebreid.
Original languageDutch
Pages (from-to)31-42
JournalLimosa
Volume86
Issue number1
StatePublished - 2013

ID: 225158