Wiebe Bergsma zoekt naar tolerantie in godsdienst

  • W. Bergsma

Pers / media: Publieke betrokkenheidsactiviteiten

Beschrijving

De boekenkast in zijn werkkamer bij de Fryske Akademy - die nu in verband met verbouwingen geheel op de kop staat - telt twee planken, elk van een meter lang, met zijn publicaties. De monografieën, bijdragen aan bundels en tijdschriftartikelen vormen een imposant oeuvre van de specialist godsdienstgeschiedenis in de Nieuwe Tijd (1500-1800). Een belangrijk accent is het specifiek Friese in de geschiedenis van rooms-katholicisme en protestantisme in de Nederlanden en in Europa. Dat houdt ook diepgaand onderzoek in naar twee kanten: in Friesland zelf, maar ook daarbuiten. Wiebe Bergsma (Haulerwijk, 1955) studeerde geschiedenis en culturele antropologie.in Groningen. 'Ik wie, sa as safolle studinten fan myn generaasje, de earste mei in akademyske oplieding yn de famylje.' Hij denkt met erkentelijkheid terug aan zijn leermeester Edzo Waterbolk. Dankzij Waterbolk werd hij op het spoor gezet dat hij in zijn hele wetenschappelijke werk is blijven volgen: tolerantie en godsdienstige minderheden. Zijn promotieonderzoek (1983) stond uiteraard in het teken daarvan. Dat ging over de staatsman en strijder voor verdraagzaamheid Aggaeus van Albada (omstreeks 1525-1 587). Deze verzette zich tegen de toen gangbare terechtstelling van ketters en dat wilde wat zeggen in die tijd. Na zijn afstuderen in 1981 werkte hij nog enige t ijd als docent aan de universiteit in Leiden en bij de MO- opleidingen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1985 kwam hij bij de Fryske Akademy, een situatie die hem nog steeds met een gevoel van geluk vervult. 'Ik haw in prachtige baan by in prima ûtillearre ynstitut.' Wat het werk aan de universiteiten betreft, sommige ontwikkelingen daar vervullen hem wel met enige zorg. Bij de aanbieding onlangs van een boek over de brieven van de 17de-eeuwse Harlinger rector Reinerus Neuhusius heeft hij gezegd: 'Zelf betreur ik sommige ontwikkelingen in het academisch leven ten zeerste. In de jaren zeventig heb ik in Groningen geschieden is en culturele antropologie gestudeerd. Antropologie is al lang opgeheven, terwijl mijn beide bijvakken Noorse en Neolatijnse taal- en letterkunde ook al zijn verdwenen. Indien de bestuurders van de RUG ook nog de geschieden is voor 1800 opheffen, dan is mijn academisch verleden uitgewist.' De positieve kijk op het instituut waar hij nu al bijna dertig jaar werkt, heeft daarmee veel te maken. De kaalslag in de academische wereld lijkt vooral te zijn ingegeven door voorkeuren voor stroomlijning en rendement. Bij de Fryske Akademy is ook plaats voor onderzoek dat duidelijk op een breed publiek buiten het instituut is gericht. Als voorbeeld noemt hij het met wetenschappelijke intenties opgezette en steeds populairder wordende historisch-geografische informatiesysteem HisGis, dat mensen thuis gewoon op hun computer kunnen raadplegen. Het dijt voortdurend verder uit over Nederland, maar het is in het voordigitale tijdperk bij de Akademy begonnen als it Pleatseprojekt. Maar daarnaast, en daar wil hij ook de aandacht op vestigen, is er bij de Fryske Akademy nog altijd plaats voor onderzoek juist op die gebieden waar een onderzoeker op een andere manier, ook vanuit een puur intellectuele nieuwsgierigheid, zijn werk kan verrichten. Het net genoemde brievenboek Protestantisme van Neuhusius, samengesteld door Sybren Sybrandy en Piter van Tuinen is daarvan een mooi voorbeeld. Het heeft, aldus Wiebe Bergsma in zijn toespraak, geen enkel maatschappelijk nut, maar 'slechts' culturele waarde, omdat het niet mee wil doen in de jacht naar onsterfelijke natuurwetenschappelijke roem, maar uitnodigt tot bezinning. En ook dàar ligt volgens hem een zinvolle onderzoekstaak. Hoe het als het ware met een vergrootglas kijken naar een stukje dorpsgeschiedenis tot verrassende uitkomsten met een veel wijdere strekking kan leiden, heeft hij bewezen met zijn net in it Beaken gepubliceerde, zeer omvangrijke artikel over de jong gestorven geleerde David Gorlaeus (1591- 1612) uit Cornjum. Dat verhaal is ontstaan naar aanleiding van het symposium dat in 2012 ter gelegenheid van de vierhonderdste sterfdag van Gorlaeus werd gehouden. Bergsma heeft zich toen afgevraagd, welke mensen er in 1612 bij de begrafenis in de Cornjumer kerk van David Gorlaeus zijn geweest, en uit welk maatschappelijk milieu zij afkomstig waren. Daaruit is een brede beschouwing ontstaan, die niet al leen een interessant licht werpt op de kringen waarin David Gorlaeus en zijn ouders leefden, maar ook nieuwe inzichten verschaft over de bijzondere positie van Leeuwarden in die tijd. Dat laatste is wellicht wel het meest verrassende. Leeuwarden nam, in tegenstelling tot wat sommigen steeds hebben gedacht, op cu ltureel en wetenschappelijk terrein een superieure positie in tegenover de stad Groningen. Friezen hebben nogal eens de neiging, hun gewest met Holland te vergelijken, en dat leidt tot hinderlijk en vruchteloos Calimero-gedrag. Veel meer voor de hand liggend, aldus Wiebe Bergsma, is een vergelijking met Groningen en andere steden buiten Holland. Holland en de Hollandse Hinderlijk Calimero-gedrag steden waren in de 17de eeuw al veel groter qua bevolking dan Friesland en de Friese steden. Alleen daarom al is een vergelijking minder zinvol. Uit zijn publicaties blijkt ook, dat in zijn vis ie 'Friese geschiedenis' zich niet beperkt tot louter de geschiedenis van de provincie Fryslân. Dat dit bij sommigen wel zo is, heeft waarschijnlijk vooral te maken met de nadruk waarmee sinds de 19de eeuw het idee van een Friese identiteit aan de Friese taal is verbonden. Uit zijn onderzoek naar Abel Eppens, een Ommelander boer die in de 16de eeuw vanwege zijn protestantse overtuiging naar Emden moest vluchten, weet hij. dat de niet Fries sprekende Abel zich terdege 'Fries' voelde. Ook in Friesland zelf bestond in die tijd de sterke verbintenis tussen taal en identiteit niet. Het gevoel Fries te zijn werd vooral verbonden met het als groots ondervonden verleden van Friesland, met zijn koningen en liggend 'tussen Brugge en de Deense grens'. Als een van zijn belangrijkste werken beschouwt hij zijn studie uit 1999 van het gereformeerde protestantisme in Friesland tussen 1580 en 1650. Een van de opvallende zaken was dat er hele streken in Friesland waren, waar in de beginperiode van de Reformatie geruime tijd helemaal geen predikant stond. In Ooststellingwerf was in 1595 maar één dominee, en de situatie in buurgemeenten als Opsterland en Weststellingwerf was daarmee vergelijkbaar. Blijkbaar is daar al vroeg een situatie ontstaan van afstand nemen tot de kerk. Het blijkt ook uit uitlatingen van rooms-katholieke geestelijken die in de 17de eeuw vanuit bijvoorbeeld Heerenveen aan het terugwinnen van de verloren parochies gaan werken en daarbij op een opvallende onverschilligheid jegens de kerk stuiten. De afwezigheid van dominees was ook niet zo vreemd natuurlijk, want predikanten lieten zich liever beroepen in de veel beter betalende kleigemeenten dan in armoedige gemeenten in het zuidoosten . Of hier ook een verband valt te reconstrueren met de veel later daar optredende vroege buitenkerkelijkheid va lt op dit moment nog niet te zeggen , maar het is volgens Wiebe Bergsma zeker een interessant onderzoeksthema.

Periode29 jan 2015

Media-aandacht

1

Media-aandacht

  • TitelWiebe Bergsma zoekt naar tolerantie in godsdienst
    Media naam/outletHistorisch tijdschrift Fryslân
    Release datum29/01/2015
    Producent / auteurKerst Huisman
    PersonenW. Bergsma